
Het symfonieorkest kreeg zijn huidige gedaante in de 19e eeuw, de eeuw van de Romantiek. Duitsland en Rusland waren belangrijke leveranciers van romantisch orkestrepertoire; de bijdragen uit Frankrijk waren schaarser, maar gaven er wel een eigen draai aan. Wagner kreeg, naar eigen zeggen, op Goede Vrijdag van 1857 een ‘muzikaal visioen’ tijdens een natuurwandeling. Daaruit ontstond uitbundige muziek die een hoogtepunt in zijn laatste opera Parsifal zou vormen. Ook Tsjaikovski was zo’n wandelaar, maar een Wagneriaanse goden- en heldenwereld betrad hij niet. Hij was al blij als hij zich in de Russische maatschappij staande kon houden. Met zijn beroemde Eerste Pianoconcert riskeerde hij zelfs zijn reputatie, terwijl dat nu één van de beroemdste stukken uit zijn repertoire is. Saint-Saëns’ Derde Symfonie (‘Orgelsymfonie’) geldt eveneens als een romantisch werk, maar het is bijna een parodie. Saint-Saëns adopteerde de Grote Gebaren, maar liet de Russische pijn en de Duitse visioenen weg, met een zeer Frans, parelend klankfeest als resultaat.