sluiten
Meer Interviews
Interview met Erik Bosgraaf

Interview met Erik Bosgraaf

3 januari 2012

De vier jaargetijden van Vivaldi

Erik Bosgraaf vertolkt de vioolpartij op blokfluit

De vier jaargetijden van Vivaldi afgezaagde muziek? Niet bij het NNO! Hier wordt dit seizoen de vioolpartij namelijk op de blokfluit gespeeld. Solist is Erik Bosgraaf, in 2011 winnaar van de Nederlandse Muziekprijs, de hoogste staatsonderscheiding voor klassieke musici. Bosgraaf wordt gerekend tot de meest begaafde en veelzijdige blokfluitisten van een nieuwe generatie. Oude muziek klinkt bij hem eigentijds en geïmproviseerd.

‘DE VIER JAARGETIJDEN’, IS DAT VASTE PRIK VOOR U?

Zeker niet, ik heb ze nog nooit uitgevoerd! Ik doe dat voor het eerst bij het NNO, naar een idee van artistiek leider Marcel Mandos. Vivaldi heeft originele blokfluitconcerten geschreven en die heb ik onlangs op cd gezet. Maar in plaats van dat Marcel mij vraagt daar iets van te spelen, zoals dat meestal gaat, vraagt hij mij om nieuwe concerten in te studeren, en dan nog wel De vier jaargetijden, die voor viool geschreven zijn. Maar ik vind het leuk dat hij mijn creativiteit zo op de proef stelt!

ER ZIJN PURISTEN DIE VINDEN DAT JE MUZIEK OP DE INSTRUMENTEN MOET SPELEN WAARVOOR ZE GESCHREVEN ZIJN.

Tegen hen zou ik willen zeggen: wat is er nou authentieker, Vivaldi spelen op een moderne viool die helemaal omgebouwd en opgevoerd is, of op een instrument dat in die tijd echt bestond en waarvoor Vivaldi ook geschreven heeft? Trouwens, er is een blokfluitconcert waar ook een vioolversie van bestaat, met kleine aanpassingen. Met andere woorden: instrumenttoeschrijvingen waren toen helemaal niet zo dogmatisch als ze later werden. Ik streef naar authenticiteit maar het mag geen doel op zich zijn. Authenticiteit komt voort vanuit het geloof dat muziek beter gaat klinken als je haar benadert vanuit die muziek zelf en hoe die bedoeld is. Wat dat betreft hoor ik liever oude muziek gespeeld door een goede moderne pianist dan door een slechte fortepianist.

HEBT U ‘DE VIER JAARGETIJDEN’ ZELF BEWERKT?

Ja, dat heb ik zelf gedaan, maar het grappige is dat er eigenlijk niet zoveel te bewerken viel. De solopartij past heel goed op blokfluit. Je herkent er wel vioolachtige technieken in, maar precies diezelfde technieken kom je tegen in Vivaldi’s originele blokfluitconcerten. Eigenlijk schreef Vivaldi voor de meeste instrumenten heel violistisch. Hij was natuurlijk zelf een vioolvirtuoos, en soms lijkt het wel alsof hij helemaal geen zin had om zich te verdiepen in het solo-instrument waarvoor hij schreef. Of misschien deed hij expres een beetje pesterig. Ik hoorde van een barokhoboïst dat er één noot is op de hobo die heel erg moeilijk ligt, en in elk hoboconcert van Vivaldi zit steeds die noot. Verwachtte hij dat de solist die gewoon moest kunnen spelen als hij zijn concerten wilde uitvoeren? Hij schreef de blokfluitconcerten voor de meisjes van de Ospedale della Pietà in Venetië, het weeshuis waaraan hij als muziekleraar verbonden was. Die waren daar door hun ouders achtergelaten en kregen toponderwijs. Afgaande op die concerten moeten de meisjes als musicus heel virtuoos geweest zijn!

KRIJGEN WE IETS NIEUWS TE HOREN ALS U ‘DE VIER JAARGETIJDEN’ OP DE BLOKFLUIT SPEELT?

Die vier soloconcerten waar de cyclus uit bestaat zijn heel idiomatisch: ze beelden heel goed uit wat er in elk jaargetijde in de natuur gebeurt. Je kunt je voorstellen dat de vogels in de lente juist een stuk beter klinken op een blokfluit dan op een viool! Maar je kunt op de blokfluit ook heel ijzig spelen, je kunt heel makkelijk een kille, vibratoloze klank maken, die als een roofvogel in de lucht blijft hangen. Dat is natuurlijk heel mooi voor de winter. Andere dingen zullen mensen misschien mooier vinden op een viool, maar het is mijn taak om hen dat zo veel mogelijk te laten vergeten.

WORDT U NIET GEHINDERD DOOR HET BEPERKTE DYNAMISCHE BEREIK VAN DE BLOKFLUIT?

Nee hoor, dat is eigenlijk niet heel anders bij de barokviool. De contrasten op een barokviool zijn ook kleiner, je kunt niet zo keihard spelen als je dat op een moderne viool kan. Bovendien staan er niet zoveel dynamische aanwijzingen in de muziek. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat je zonder dynamiek moet spelen, maar barokmuziek heeft niet dezelfde dynamische bandbreedte als romantische muziek. Barokmuziek gaat vooral over spraak, dans en ritme, romantische muziek gaat veel meer over lange lijnen, legato en ook geluidsvolume, want de concertzalen en orkesten werden steeds groter. De retoriek van barokmuziek spreekt mij heel erg aan. Trouwens, de blokfluit en de viool hebben nog iets gemeenschappelijks: ze behoren tot de snelste instrumenten die er bestaan. Je kunt alleen op een blokfluit en op een viool zo razendsnel articuleren. Er zijn dus meer overeenkomsten tussen de viool en de blokfluit dan je op het eerste gezicht zou vermoeden.

U PROBEERT DE MUZIEK GEÏMPROVISEERD TE LATEN KLINKEN. LEENT DE MUZIEK VAN VIVALDI ZICH DAARVOOR?

Je hebt in de soloconcerten een voortdurende afwisseling van tutti’s en soli. Het concert begint met een tutti waarin het thema wordt neergezet. Alles strak in de maat. Maar dan dunt het orkest uit, de solist krijgt de ruimte en gaat daaroverheen kwinkeleren. Dat moet de ene keer wat strakker dan de andere keer, soms kun je heel improviserend spelen. Na zo’n vrije solo zegt het orkest: oké, nou weer even bij de les. Maar vervolgens gaat de solist steeds weer de vrije kant op. Juist de passages waarin Vivaldi letterlijk de natuur probeert uit te beelden lenen zich voor een vrije manier van spelen: een vogel zingt immers ook niet in vierkwartsmaat!

Interview: Pepijn van Doesburg