28 januari 2012 - Leeuwarder Courant
Vanavond wordt hem, tijdens de herhaling van het concert van gisteravond, in zijn geboorteplaats Drachten het Gouden viooltje opgespeld. Maar wat mij betreft verdient Erik Bosgraaf daarnaast nog meer nationale of beter nog internationale cultuuronderscheidingen dan hij op dit moment heeft.
In korte tijd heeft deze jonge musicus, na de periode Frans Brüggen, met veel inzet de blokfluit opnieuw op de kaart gezet, in de hoedanigheid van een kleurrijk en acrobatisch solo-instrument. Voor het eerste — om aansluiting te vinden bij de sfeer en uitdrukkingskracht van de muziek — heeft hij meerdere exemplaren op zak. En wat de acrobatiek betreft: als hij tekeer gaat in Italiaanse barok hoeft men bij hem nooit lang op verblindende versieringen en rake dynamische schakeringen te wachten. Ook gisteren niet, toen hij omringd door een formatie uit het Noord Nederlands Orkest, voorging in een bewerking van eigen hand van Vivaldi’s ‘De vier jaargetijden’.
Natuurlijk: op fluit klinken ze anders dan op de voorgeschreven viool en in luidere orkest-passages dreigde een van zijn instrumenten wel eens kopje onder te gaan. Maar was Bosgraaf omringd door alleen een slanke continuogroep, dan waren alle facetten in zijn spel goed waarneembaar. Dan hoorden we de staccato geblazen klanken, de loopjes die hij met zijn supersnelle vingers uit zijn diverse instrumenten tevoorschijn haalde en die langgerekte toon (Herfst), waar maar geen einde aan leek te komen.
Vivaldi’s seizoenen klonken anders, maar beslist niet minder fraai. Neem alleen al de vogelimitaties in de Zomer: alsof Bosgraaf een volière openzette. Een knappe violist die daarbij in de buurt komt. En zo was er veel meer: technisch hoogstaand spel gekoppeld aan fijnzinnigheid, momenten van innigheid en van primadonna-coloraturen en ga zo maar door. Prestaties waarvoor Bosgraaf wat mij betreft het predicaat ‘Paganini van de blokfluit’ verdient.
Overigens klikte het tussen hem en Johannes Leertouwer, die voor de pauze vier nummers relatief onbekende barokmuziek dirigeerde (Hurlebusch, Hellendaal, Fux en Zelenka). Niet altijd even sprankelend, wat de violen betreft soms wat mechanisch, maar die tot een glasdraad uitgerekte hoornpassage in Zelenka, die imponeerde.
Rudolf Nammensma


