30 januari 2012 - Friesch Dagblad
Vroeger werd een kamerorkest ingezet voor barokmuziek. tegenwoordig trekt men die liever in de kamermuzieksfeer. Zo ook Johannes Leertouwer, iemand uit de historische uitvoeringspraktijk. Hij stond niet zozeer als dirigent voor het orkest maar als primus inter pares er middenin, spelend als eerste violist die ook de solopartijen voor zijn rekening nam. Dirigeren met de strijkstok vanaf de zijlijn zogezegd.
Als we hem mogen geloven was musiceren in de achttiende eeuw niet iets voor lieden met platvoeten en spataderen. Er werd staande gespeeld. De bezetting was miniem. Die paar lessenaren op het grote podium gaf een wat vreemde aanblik van ‘het grootste regionale symfonieorkest’ zoals het NNO zich graag afficheert. Net een gravure uit de achttiende eeuw: de cello en bas links in plaats van rechts, een klavecimbel in het midden en een theorbe om het continuo te versterken. Maar niet helemaal, want musiceren was in die tijd een mannenaangelegenheid en nu zagen we dat de strijkers voor de helft plus één uit vrouwen bestond. Kortom het was historisch verantwoord maar up to date gebracht met artikel 1.
Het waren geen platgetreden paden waarover Leertouwer ons voerde. Hurlebusch, Zelenka, namen bekend bij de musicoloog maar zeker niet bij het grote publiek. En Fux heeft meer postume faam als schrijver van een boek over contrapunt. Hellendaal zal menigeen van de generatie Max, waarmee de concertzaal al sinds jaar en dag bevolkt is, kennen van de herkenningstune van Openbaar Kunstbezit in de jaren zestig. Kern was steeds het strijkersensemble, aangevuld met hobo’s die in Hurlebusch Fux en Zelenka voor een toegevoegd warm timbre zorgden in de ondanks de karige bezetting niettemin rijke strijkersklank. In Zelenka waren hoorns vereist die nog een paar verdraaid lastige hoge noten hadden te spelen.
De vier jaargetijden verwacht je niet zo snel bij dit repertoire als je de lijn consequent doorzet. Maar dit was geen gewone uitvoering maar een bewerking voor blokfluit door Erik Bosgraaf. Een heel arsenaal aan fluiten lag klaar want Bosgraaf beperkte zich niet tot één fluit. De aard van de muziek, stemming, omvang en karakteristiek van de fluit noopten daartoe. Het resultaat was een ongemeen gevarieerde Vivaldi.
Het was snel duidelijk dat Bosgraaf zich veel meer permitteerde dan een violist en hij haalde dynamisch vaak hard uit. Qua expressie en klankschildering waren dit onovertroffen jaargetijden op een wel zeer onconventionele manier uitgevoerd: hij ging diep door de knieën, wandelde tussen de strijkers door en liet af en toe zijn rechtervoet op een bankje rusten. Bosgraaf is winnaar van het Gouden Viooltje en kreeg deze zaterdagavond tijdens het concert uitgereikt. Misschien moet die prijs omgedoopt worden tot Gouden Fluitje, gezien de nieuwe standaard die hij heeft gevestigd voor creatief spel.
S. van Ek


