20 december 2008 - Minke Muilwijk, Dagblad van het Noorden
Van de zes cantates waaruit het Weihnachtsoratorium bestaat, voert het Noord Nederlands Orkest er dezer dagen een viertal uit. Het is muziek die bedoeld is je op het gemoed te werken, en de (gelovige) ziel te bevestigen en schragen. Dat gebeurde ook af en toe, in de uitvoering door het NNO en het Noord Nederlands Concertkoor, zoals in het prachtig gezongen koraal Ich steh’ an deinerKrippen hier dat met ontroerde stembuigingen zacht en intens werd gezongen, fraai begeleid door enkel de continuosectie. Met de continuo zat het sowieso goed, in deze uitvoering. Orgel, luit en klavecimbel gaven met celli en bassen een gedegen structuur aan het geheel en waar de basis goed is, daar kan verder niet zoveel meer mis gaan. Er ging ook niet veel mis. Anderzijds was er in de uitvoering ook niet veel wat deze muziek met grootsheid en glans bezielde. Er rommelde te veel, er waren relatief te veel grote streken en kleine uitglijers in het orkest. In de regel had men het te druk met de noten, waardoor men te weinig aan muziek maken toekwam. Met uitzondering dan van de trom- petten en pauken, die in het eerste en laatste deel grote blijdschap verkondigden. En was het orkest goed op streek, zoals in het snelle openingsdeel van het Fünfter Teil, dan raakte het koor te zeer achter adem om nog goed te kunnen articuleren. Überhaupt sloeg nergens een vonk over; tussen orkest en dirigent Peter Dijkstra ontstond niet de chemie die van een gewoon concert een belevenis maakt. Gelukkig waren er nog vier solisten, die charismatisch (Heleen Koele), met bravoure (Thomas Olie- mans), kernachtig (Noa Frenkel) en triomfantelijk (Marcel Beekman) wat meer kleur brachten in het kerstverhaal.


