13 mei 2011 - Friesch Dagblad
Het Noord Nederlands Orkest (NNO) is in het verleden niet altijd zo gelukkig geweest met z’n chef-dirigenten. Martin Sieghart, die was aangesteld om van het jonge orkest een eenheid te maken, bleef maar kort. Liberman overleed na amper twee jaar voor het orkest te hebben gestaan. Met Michel Tabachnik kwam dan toch eindelijk de verlangde continuïteit. Met hem haalde het NNO een veelzijdig man in huis die naast zijn drukke werkzaamheden als dirigent ook nog de tijd vond om te componeren en zelfs een roman te schrijven. Na zes jaar neemt hij afscheid van wat toch een beetje zijn orkest is geworden.
Marcel Mandos blikte gisteravond vlak voor het afscheidsconcert kort terug. Volgens hem was het na één keer dirigeren wat het orkest betreft liefde op het eerste gezicht. En dat was wederzijds. Een topdirigent noemde hij Tabachnik, die het NNO niet alleen nationaal maar ook internationaal op de kaart heeft gezet. Helemaal kwijt zijn we hem niet want als ‘honorair dirigent’ zal hij voor een paar weken per jaar terugkeren.
Tabachnik was de man met wie het NNO grootse triomfen vierde in het grootschalige repertoire. We denken aan de megasymfonici als Mahler en Bruckner, maar ook aan iemand als Strauss met een bijzonder memorabele Also sprach Zarathustra. Het eerste grote werk dat Tabachnik hier dirigeerde was het Requiem van Verdi. Met dat werk nam hij nu ook afscheid. En op de uitvoering was, geheel tegen de politieke tijdgeest in, niet bezuinigd, althans niet op het koor. Tabachnik kreeg zijn 120 koorleden, net zoveel als Verdi ter beschikking stonden tijdens de première in 1874, en de vier trompettisten die vanaf het balkon de dialoog aangingen met de apocalyptische bazuinen in het orkest. De magistrale koorgedeelten in het Dies irae kregen zo de grandeur die zo karakteristiek is voor het hele werk. Tabachnik zocht hier zeker de grenzen van het volume en daarmee ook van het drama op, bijna op het theatrale af. Maar we moeten niet vergeten dat dat op en top Verdi is. Maar hij kon het koor en orkest ook heel ingetogen laten klinken in de opening en in het schitterende Sanctus.
De grote vraag is altijd in hoeverre dit requiem een opera is, een kwestie die vooral speelt bij de solisten. Zowel Evelina Dobraceva, Irina Tchistjakova als Harry Peeters verraadden een opera-achtergrond maar wisten toch een middenweg te bewandelen. Geen religieuze opera dus, maar ook geen wereldlijke liturgie, precies zo ongrijpbaar als het Requiem is van de ‘twijfelende gelovige’ componist. Alleen de tenor Vsevolod Grivnov dacht daar iets anders over en vond het met zijn galmende uithalen nodig te laten horen dat hij ook in de Scala had gestaan.
Behalve Verdi stonden ook de Adam-interludes van Rob Zuidam op het programma. Geen rare combinatie, want dit concert weerspiegelde de voorkeuren van de scheidende dirigent die veel eigentijdse werken heeft gedirigeerd. Zijn opvolger Stefan Asbury zal wat dat betreft die lijn voortzetten, heeft hij laten weten.
S. van Ek



