11 oktober 2010 - Friesch Dagblad
Met een prachtige fluitmelodie opende vrijdagavond het Noord Nederlands Orkest (NNO) zijn concert in De Lawei in Drachten. Deze melodie was het openingsthema van Prélude â l’apres-midi d’unfaune (De namiddag van een faun, een soort bosgeest; half mens, half geit) van Debussy. Het was zijn eerste symfonische meesterwerk, dat hij componeerde naar aanleiding van een gelijknamig symbolisch gedicht van Mallarmé. Een gedicht vol erotische verlangens in een droomwereld op de grens van waken en dromen, van verbeelding en werkelijkheid.
Debussy’s muziek is niets meer dan een vrije weergave van dit gedicht. Het dromerige overheerst in zijn muziek. De lome openingsmelodie roept een onmetelijke ruimte op. Hierbij voegen zich later de overige instrumenten die als het ware een uitgestrekt landschap in de namiddagzon verklanken. De strijkers zorgen hoofdzakelijk voor een warme, wollige onderklank, die vrijdagavond wel wat homogener en warmer had mogen klinken. Onder de gedreven leiding van chef-dirigent Tabachnik werd geleidelijk toegewerkt naar een hoogtepunt in de mijmeringen van de faun. Hierna kwam de muziek weer tot rust. Een goed begin.
In het volgende werk, Drie symfonische schetsen over de Zee, schildert Debussy als een impressionistische schilder in klanken de zee. Ook in dit werk werd je telkens weer verrast door de manier waarop de orkestinstrumenten werden ingezet. Zo begeleiden in het eerste deel de houtblazers de wegtrekkende damp in het ochtendgloren en ‘schildert’ het thema van de trompetten de zonneschittering in het water.
Vluchtige motieven en heel lichte klankkleuren verbeelden in Spel van de golven de rustige deining en geven harpen een roller weer. Als de wind opsteekt en de hoorns zich in het klankspel mengen, komt meteen het rustige fluisterende einde. Het slotdeel is het meest ruige van de drie. Ruisende wind, rollende golven, harde wind, regen en onweer zwellen aan tot een majestueuze lofzang op de zee. Ook in dit werk was Tabachnik de ‘stuurman’ die met oog voor veel details in de partituur het orkest tot prachtig en verfijnd musiceren van hoog niveau wist te brengen.
Heldenverering was rond 1900 een geliefd thema, zowel in de literatuur als in de muziek. Richard Strauss portretteert een held in zijn symfonisch gedicht Ein Heldenleben, een groots opgezet werk. Voor de uitvoering ervan moesten bijna alle NNO musici aantreden. Ook moesten ze een keer flink aan de bak, want het is geen gemakkelijke partituur. Grote melodiesprongen van laag naar hoog en omgekeerd en daarbij een caleidoscoop aan klankkleuren, een verbluffende orkestratie, hijgende climaxen en momenten van gelukzalige intimiteit vormen de ingrediënten van dit werk.
Op diverse instrumenten was prachtig solowerk te horen. De meest opvallende was de vioolsolo van de concertmeester. De wijze waarop ze die speelde was een staaltje van topvioolspel. Terecht kreeg ze daarvoor na afloop bloemen. De werken met muzikale klankschilderingen kwamen goed uit de verf. Daardoor kon het publiek genieten van vele prachtige muzikale momenten.
Gerben Bergstra




