15 december 2008 - Rudolf Nammensma, Leeuwarder Courant
LEEUWARDEN - Natuurlijk heeft het Koninklijk Concertgebouworkest zijn Mahler-traditie. Maar het Noord-Nederlands Orkest onder Michel Tabachnik spreekt op dit gebied inmiddels ook een aardig woordje mee. Dat bleek gisteren tijdens een uitvoering van de Vijfde, de symfonie waarmee Mahler zonder dat hij er ooit weet van heeft gehad, filmgeschiedenis schreef (cineast Visconti gebruikte het Adagietto uit deze symfonie in zijn onsterfelijke ‘Dood in Venetië’).
Het resultaat onder Tabachnik was een mengeling was van opwinding en drama. De afgemeten tred in de treurmars, doortrokken met sidderend koper. De kolkende klankmassa’s die een fiere trompet omspoelden. En de strijkers op kousen- voeten. Het klonk allemaal bevlogen en doordacht.
Bekommerde de chef-dirigent zich in de eerste delen meer om de afzonderlijke momenten, waardoor sommige fragmenten hoekig en minder vloeiend klonken dan de rest, eenmaal bij het Adagietto aangeland viel alles op zijn plaats. Tabachnik koos hier voor een welhaast aarzelend starttempo, waaraan hij subtiel stuwkracht toevoegde. In combinatie met de uitgekiende, groeiende dynamiek ontstond een adembenemende interpretatie waaraan door menigeen denk ik nog lang zal worden teruggedacht.
Heel anders waren de klanken die opstegen uit de als dubbelconcert aangemerkte Phantom Phantasia, waarin filmcomponist Geoffrey Alexander thema’s uit Andrew Lloyd Webbers hitmusical ‘The Phantom of the Opera’ verwerkte.
De soloviool, bespeeld door Tanja Becker-Bender, liet de breekbaarheid, onschuld en charme van de vrouwelijke hoofdpersoon Christine horen, terwijl Lloyd Webbers broer Ju1jan op cello de warmte en innemendheid van haar tegenspelers verklankte. Aan de ene kant bleek deze compositie, die bij het NNO zijn Nederlandse première beleefde, een aantal clichés te bevatten, zoals het slagwerk dat vooral de pieken in de dynamiek accentueerde en de voorspelbare dynamische schakeringen.
Maar met zijn kamermuzikale onderonsje voor beide rassolisten, hun gezamenlijke cadensachtige inbreng en de door Alexander incidenteel toegevoegde tussennootjes, waardoor beiden wat meer konden schitteren, had deze fantasie ook iets niet alledaags.
De sfeerscheppende harp en het geluid van klokjes deden wonderen en maakten de kleurrijke klankwereld van ‘The Phantom’ helemaal af.


