27 november 2010 - Leeuwarder Courant
Veel folklore gisteren bij het Noord Nederlands Orkest. Althans in de muziek. Want op het toneel zag het er allemaal strak en keurig uit. Het gezicht van concertmeester Olga Martinova was minder vertrouwd.
Dat van chef-dirigent Michel Tabachnik des te meer. Centraal stonden de Folk Songs van de zeven jaar geleden overleden Luciano Berio, een elf liederen omvattende cyclus waarin eeuwenoude melodieën en Amerikaanse, Franse en oud-Italiaanse teksten opduiken.
De verscheidenheid aan zangtechnieken waar deze liederen om vragen was destijds een kolfje naar de hand van Berio’s partner Cathy Berberian.
De bij het NNO aantredende mezzosopraan Cora Burggraaf— op de internationale podia maakt ze furore in Gounods opera ‘Romeo et Juliette’, in juni zelfs in La Scala te Milaan — had moeite met het nogal wisselende karakter van deze reeks.
Haar vocale expressie bleef gekunsteld, was soms te gepolijst. Alleen haar visuele voordracht kon er goed op door. Daarbij kwam dat orkest en stem niet naadloos op elkaar aansloten, maar er waren uitzonderingen, zoals het instrumentale spinrag waarmee ‘Black is the color’, het eerste lied werd omgeven. Prachtig.
Ook in Dvorâks folkloristisch getinte symfonisch gedicht ‘De woudduif, waarmee het concert startte, vond geen samensmelting plaats.
De kraakheldere secties stonden vaak net niet onder elkaar, waardoor bijvoorbeeld een effectvolle accentuering door de bassen een fractie te vroeg klonk. Weg effect.
Wie op beterschap hoopte moest wachten op Brahms’ Derde Symfonie, waarin een weinig doortastende Tabachnik toch nog mooie momenten tevoorschijn haalde. Zoals het warm opbloeiende Andante en die passages waarop het orkest fluisterend en o zo breekbaar langs de bekende notenbalken ging.
Rudolf Nammensma


