11 maart 2011 - Friesch Dagblad
Mozart, en dan op zijn charmantst. Dat stond gisteravond op het programma tijdens het concert van het Noord Nederlands Orkest in de Lawei in Drachten. Het was het eerste in de reeks. De komende weken houdt het NNO namelijk een Mozartfestival waarbij een aantal topmusici optreden die uitgesproken ideeën hebben over hoe de muziek van de componist zou moeten worden gespeeld.
Charmant slaat in deze zin natuurlijk op de muziek. Die moest na Bach gemakkelijker toegankelijk zijn. Fijne, galante, charmante melodieën, meestal in de bovenstem, werd in Mozarts tijd de mode. Voor het concert was een gevarieerd programma samengesteld van werken uit het orkestrale oeuvre van Mozart, zoals bijvoorbeeld twee werken voor soloviool en orkest, of het derde deel uit de Symfonie concertante.
Toch hoefde het publiek niet de hele avond te luisteren naar zachte, lieflijke en rustige muziek. Want Mozart schuwde ook de heftige en verheven emoties niet. Door de afwisseling tussen ingetogen verfijning en heftigheid was het een voortdurende wisseling in zachte en sterke dynamiek. Door die verschillen duidelijk tegenover elkaar te zetten boeide het concert.
De musici die tijdens het festival zullen optreden zijn ruwweg te verdelen in zij die de voorkeur geven aan de historische uitvoering en zij die de negentiende eeuwse romantische benadering hanteren. Gisteravond was het Joan Berkhemer die dirigeerde en soleerde bij het NNO. Bij hem kreeg het publiek, een romantische Mozart te horen. Dit was al te zien aan de orkestbezetting. Die was groter dan bij zij die de historische benadering aanhangen. Ook de toonvorming was ronder en dikker. Dit had weleens tot gevolg dat de orkestklank, met name in de heftige gedeelten, niet altijd even doorzichtig was.
Ook klonk de muziek soms te plomp zoals in het eerste en derde deel van het Menuet uit de Linzer symfonie. Prachtig, lenig en elegant klonk daarentegen met middendeel, het zogenaamde Trio, met een prachtig gespeelde dialoog tussen hobo en fagot. In de Symfonie Concertante waren de vier solisten op hobo, klarinet, fagot en hoorn een goed homogeen spelend ensemble. Jammer dat in dit werk de begeleiding tegenover de solisten te wollig, te dik was, waardoor dit werk minder boeide.
Juweeltjes waren het Adagio en Rondo waarin dirigent Berkhemer zelf de vioolsolist was. Er werd overtuigend gemusiceerd. Wat dat betreft was het NNO in topvorm. De snelle passages in de ouverture tot De bruiloft van Figaro en het laatste deel van de Linzer symfonie rolden ragfijn uit de snaren van de strijkers. Soms leek een historische benadering dichterbij dan verwacht.
Gerben Bergstra


