24 april 2009 - Dingeman van Wijnen, Friesch Dagblad
Je kunt nog altijd af en toe een beetje jaloers zijn op de mensen uit de tijd van Mozart, Haydn of Beethoven. Die gingen naar een concert en dan hoorden ze een stuk dat ze nog nooit eerder hadden gehoord. Haydns symfonie ‘met de paukenslag’, die in het Engels als bijnaam Surprise heeft, was voor de mensen toen nog een echte verrassing. Als wij vandaag Haydns Afscheidssymfonie op het programma zien staan, dan is de kans ruimschoots aanwezig dat we het verhaal achter die symfonie al lang kennen. Haydn was met zijn orkest aanwezig op het zomerverblijf van de Esterházy’s, maar de musici wilden zo langzamerhand wel eens terug naar vrouw en kinders. Vandaar dat Haydn aan het slot van zijn symfonie telkens meer instrumenten vrijaf geeft, en de orkestleden de gelegenheid gaf het podium te verlaten, tot alleen hijzelf en zijn concertmeester achterbleven. Het dramatische effect viel gisteravond in De Lawei onvermijdelijk een beetje weg, toen ook daar tenslotte nog slechts twee violisten achterbleven. Die speelden overigens prachtig, en niet alleen die twee, en ook niet alleen aan het slot van Haydns symfonie. Het NNO is in de loop van de jaren uitstekend thuisgeraakt in de oudere muziek, en dat was deze avond goed te horen. Zeker in de nog wat oudere stukken, van Purcell en Charpentier, ondersteund door enkele specialisten op klavecimbel en luit, en met barokviolist Johannes Leertouwer als concertmeester. Hoogtepunt was wat mij betreft het instrumentale fragment uit het motet In nativitatem Domini canticum van Marc Antoine Charpentier. Gedragen en verfijnd, en zoals de hele avond voorzien van de fraaiste zachte kleuren. Van Mozart klonk diens pianoconcert Jeunehomme uit 1777. Met veel vertoon van virtuositeit door dirigent Stefan Vladar zelf op de piano gespeeld. Als Wener pur sang, die in de stad geboren werd, er studeerde, en er tijdens het Beethoven Concours ook nog eens zijn eerste grote prijs won, zou je denken dat hij ons Mozart als geen ander zou kunnen laten ervaren. Toch is dat bij Vladar wat mij betreft nu juist niet het geval, Ik zou van Vladar zo graag wat meer vertelkracht, wat meer retoriek horen, wat minder noten die net een fractie te vroeg klinken om echt binnen te komen. Het is een bescheiden kanttekening bij een concert waarin Vladar zich juist in de oudere stukken wel weer bewees. Naast het al genoemde stuk van Charpentier zeker ook in de suite uit King Arthur van Henry Purcell. Het concert werd dan ook fraai afgerond met het slot uit die suite, een kloeke variatiereeks op een heerlijke Purcelliaanse ‘ground’.


