30 september 2011 - Leeuwarder Courant
In het curriculum van het NNO staat dat ‘de programmering van het orkest zich onderscheidt door durf en originaliteit’. Terwijl de rook van het afscheidsconcert van Michel Tabachnik met Verdi’s Requiem nog maar nauwelijks is opgetrokken en het orkest net een nieuwe chef heeft in de persoon van Stefan Asbury en je de Vijfde Symfonie van Mahler niet zo vaak kunt programmeren, waarom dan de keuze om dit werk uit te voeren met de voormalige chef aan het begin van een nieuw seizoen?
Gedurfd en origineel kun je het nauwelijks noemen, ook al omdat de dirigeerwijze van Tabachnik er een is van afdwingen en veel onderverdelen van maten. Deze old school moeders-wil-is-wet-methode heeft langzamerhand meer nadelen dan voordelen.
Niet dat hiermee in het verleden geen goede resultaten werden behaald, maar het NNO is juist het afgelopen jaar een andere weg ingeslagen. De hond heeft leren samen te werken en los te lopen samen met het baasje maar lag deze avond weer eens ouderwets aan de ketting.
Jammer omdat veel individuele prestaties in Mahlers’ monumentale Vijfde van bijzonder hoog niveau waren, zoals de eerste trompet, trombone en hoorn. Ook de klank van de cellogroep kwam prachtig homogeen de zaal in.
Het orkest laat de oude chef met zijn uitgewerkte medicijnen met alle egards achter. Het van bovenaf afdwingen van tempi, vertragingen en versnellingen leidt tot fragmentarische uitvoeringen met nodeloos ongelijke overgangen en gebrek aan muzikale eenheid.
Tjitte de Vries


