6 oktober 2008 - Friesch Dagblad
Twee keer het Tweede pianoconcert van Chopin in één jaar, dat is niet iets te veel van het goede of gewoon pure verwennerij. Het is natuurlijk een kwestie van smaak maar ik kan me voorstellen dat dit overbekende concert, dat toch al aan overkill lijdt, zelfs voor de grootste verslaafde van de muziek van Chopin als een overdosis kan worden ervaren. Ik houd het echter op het laatste: pure verwennerij door het NNO, zeker als je in aanmerking neemt dat de soliste in kwestie niemand minder dan Marëetta Petkova was. We kennen Petkova natuurlijk van een aantal prachtige cd’s. Of nee, we kennen haar eigenlijk helemaal niet van de cd, maar uitsluitend van de concertzaal. Want net als haar grote voorbeeld Slatoslav Richter, heeft ze een broertje dood aan studio-opnames en neemt ze haar cd’s bij voorkeur live op. Tja, dat heb je met sommige pianisten, die kunnen niet zonder publiek tot grootse prestaties komen, die hebben de spanning van het moment nodig. Het zou me niet verbazen dat er een nieuwe cd in de maak is van Chopins Tweede pianoconcert want er stonden enkele microfoons op het balkon van De Harmonie opgesteld toen ze dit concert met het NNO speelde.
Wat voor cliché je ook van stal haalt, ‘parelend spel’, ‘sprankelende akkoordbrekingen’, ‘ragfljn touché’ et cetera, het is bijna altijd van toepas sing op Petkova. Ook hier in Chopin met orkest. En had deze pianiste nog wat nieuws te vertellen? Jazeker, zelden klonk een Chopin zachter en delicater. Want dat was het meest op merkelijk van Petkova: ze meed elke romantische overdrijving. De aard van haar spel kwam erop neer dat ze een wat wonderlijk dynamisch bereik had.
In de richting van het forte was het begrensd (nooit was het erg hard, ook niet in de accenten), terwijl in de richting van het pianissimo er voor haar bijna geen ondergrens leek te bestaan. Het merkwaardige was dat ze altijd
hoorbaar bleef. Kortom: dit was pure tovenarij.
De rol die voor Tabachnik en zijn orkest was weggelegd was niet meer dan assisteren of liever gezegd: seconderen want de piano bleef natuurlijk de hoofdrol spelen. Daardoor trad er na de pauze voor de krachtmeting met Tsjaikovski’s Vierde symfonie een nog volledig fris orkest aan dat ook in de twee delen uit Rosamunde van Schubert maar weinig energie had verspeeld. Wie nog niet overtuigd was wat Tabachnik met het NNO vermag, kreeg hier de kans tot inzicht te komen.
Die Vierde klonk als een klok met schitterend kopergeschetter, pittige pizzicati en een finale die alleen maar op het puntje van de stoel kon worden gevolgd. Alweer pure verwennerij en pure tovenarij.




