13 maart 2009 - Dingeman van Wijnen, Friesch Dagblad
Het moet voor een componist een geweldige ervaring zijn om een stuk te schrijven en dat dan in première te horen gaan in een uitvoering waar de vonken vanaf spatten. Dat overkwam de jonge componist Joey Roukens (1982) met zijn Concert voor altsaxofoon en orkest, waarvan het Noord Nederlands Orkest (NNO) gisteravond in de Leeuwarder Harmonie de wereldpremière gaf.
Bij een première is het uit de aard der zaak onmogelijk om te vergelijken met eerdere uitvoeringen. Je kunt dus ook niet horen of er dingen misgaan, of een orkestlid zit te slapen en een solo mist, en of een bepaalde heftige samenklank een uitglijer is of een fel accent. Maar als een stuk klopt, en de uitvoerenden zijn werkelijk op dreef, dan merk je dat toch gauw genoeg. Saxofonist Arno Bornkamp speelde dit nieuwe stuk soeverein, alsof hij het al jaren op zijn repertoire heeft, en dat moet componist Roukens goed hebben gedaan. Het NNO ondersteunde uitstekend en ook dirigent Remmereit leek zich helemaal thuis te voelen in een stuk dat voor een hedendaagse compositie een stevige lengte had, en dat beslist niet simpel was. Het concert kent veel wisselingen in tempo en register, en vraagt de nodige virtuositeit van de uitvoerenden. En die hadden ze dus in huis.
De bezetting van het nieuwe concert was behoorlijk groot, met onder meer een uitgebreide slagwerksectie, en dat gaf de gelegenheid om twee andere stevig bezette composities met het stuk van Roukens te combineren. Allereerst voor de pauze een tweetal orkestbewerkingen van pianopréludes van Debussy van de hand van Colin Matthews. Oorspronkelijk stonder er vier (van de vijf) op het programma; niet alle vijf, omdat het concert anders te lang zou worden. Uiteindelijk sneuvelden er nog twee, om dezelfde reden. Wel terecht, want het liep ook nu al tegen half elf voor het publiek buiten stond. Bovendien waren de twee uiteindelijk uitverkoren Préludes, Les Collines d’Anacapri en La Cathédrale englouti, al een stevige opmaat voor de rest. Het is muziek waar een mens niet altijd gemakkelijk vat op krijgt. Wie zich eraan kan overgeven en zich kan laten meedrijven op de klankweelde, zeker van deze bewerkingen, zal er zeker van genoten hebben.
Zelf heb ik graag meer houvast aan thematiek en structuur.
Die biedt Berlioz ruim voldoende in zijn Symfonie Fantastique uit 1830, zonder dat dat overigens maar voor een moment ten koste gaat van de emotie. Integendeel. Dirigent Arild Remmereit was hier helemaal in zijn element, en vuurde het orkest aan tot felle glissandi, kolossale geluidsexplosies, afgezet tegen beklemmende stiltes en solo’s (hobo’s!). Het is een hele zit, maar het telkens weerkerende Idée fixe-thema houdt je bij de les, en vanaf de spetterende Marche au supplice neemt de stroom je in één beweging mee naar het spectaculaire slot. De mager bezette zaal was terecht zeer enthousiast.


