16 mei 2009 - Rudolf Nammensma, Leeuwarder Courant
Geruststellende, milde klanken, weidse vergezichten oproepend, alsof men na een lange opwaartse gang bij een fraai belvedère was aangekomen. Of gaat de Derde symfonie van Gustav Mahler ergens anders over? Beleven we niet zozeer een klimpartij die de overgang van het aardse naar het hemelse verbeeldt, maar heeft de componist het loslaten van oude inzichten in klanken gevat met daarbij de angst voor het onontkoombare, onbekende nieuwe? Hoe dan ook, zelf heeft de vooral in de zomer componerende Mahler de zes onderdelen van deze maar liefst anderhalf uur durende symfonie meerdere malen van andere omschrijvingen voorzien, dus wat mij betreft is zijn ‘Derde’ multi-interpretabel, al is het visionaire aspect duidelijk merkbaar. Voor de vocalisten was het wachten geblazen. Zij kwamen na goed drie kwartier pas aan bod. Daarin hadden zij en het publiek kunnen ervaren hoe het Noord-Nederlands Orkest en chefdirigent Michel Tabachnik de kwaliteit van de uitvoering steeds verder lieten groeien. Van een matig puur op effecten gericht klankspektakel aan het begin tot overtuigend en met diepgang in het traject dat hierop volgde. Zacht smeulende en dan weer vlam vattende strijkers, omgeven door overenthousiaste, scherpomrande trompetten en een schools klinkende hoornsectie: de eerste Mahler-momenten van deze avond voorspelden weinig goeds. Een geruststellende vioolsolo van de concertmeester gaf wat hoop, maar de weinig geraffineerde, nogal lompe passages die hierop volgden sloegen die de grond weer in.
Waar was Tabachniks inzicht, het samenspel? Tegen het eind van het eerste deel kreeg het NNO de wind in de zeilen en meteen in het volgende deel al zag Tabachnik kans de schijn van ‘Gemütlichkeit’ die hier heerst fraai uit te spelen tegen het voelbare onderhuidse onbehaaglijke. En dan de kringelende fluiten, het spitse riet, het geruststellende dat Mahler in het derde deel plaatst tegenover het onoverzichtelijke, chaotische. Ook hier hadden Tabachnik en het NNO kaas van gegeten. Neem alleen al de op afstand geblazen zoete melodie ondersteund door een zijden strijkersklank. Ontroerend mooi. Toen was het tijd voor de zangers. Voor Rasker, met haar beheerste, heldere alt en haar pracht-interpretatie van Zarathustras Mitternachtslied: niet te instrumentaal, maar ook niet te zeer vanuit tekst geïnterpreteerd. Tussen afstandelijk en betrokken in. Dit had nauwelijks sterker gekund. En dat geldt ook voor de sprankelende koorpartijen in Armer Kinder Bettlerlied uit Des Knaben Wunderhorn, beter bekend als het Bimm bamm-koor. En dan, tot slot het adagio, het toefje slagroom en het mooie uitzicht, een heerlijke finale van wat ook wel een naïefidyllische symfonie over hemel en aarde is genoemd.


