4 maart 2011 - Friesch Dagblad
Er gaan verhalen dat Brahms en Joachim het Allegro non troppo waarmee het Vioolconcert opent breed hebben opgevat, met het accent op de toevoeging non troppo. De tijdsduur die erbij wordt genoemd zou 35 minuten zijn geweest. De wensen van de componist moet je zoveel mogelijk respecteren maar zo’n traag tempo is natuurlijk onhoudbaar. Het Noord Nederlands Orkest deed er dan ook ruim twaalf minuten korter over.
Het leek me het ideale tempo voor deze uitvoering. Dat wil zeggen niet te snel en niet te langzaam. Dus eigenlijk van beide een beetje non troppo. De violist wil zijn of haar techniek kunnen laten zien en dan is toch een behoorlijk tempo vereist. Maar hij of zij moet ook weer niet door de haast over de noten struikelen, want de partituur is al moeilijk genoeg. Nee, dirigent Stefan Asbury voelde wat dat betreft violiste Antje Weithaas perfect aan. En Weithaas sloot op haar beurt weer naadloos aan bij het orkest waar ze vaak niet alleen solist was, maar dikwijls ook onderdeel van uitmaakte. Prachtig de chemie tussen die twee.
Maar er zat ook een uitdaging in voor de soliste, want Asbury gaf het concert de symfonische allure die het verdient. (Wat zal het concert aan grandeur hebben ingeboet toen Brahms het destijds hoorde met slechts de helft van het aantal strijkers dat het NNO heeft.) Dat betekende voor Weithaas dat ze in de rechterarm over een extra ontwikkelde spierbal moest beschikken om daar met een viriel klinkende toon tegenop te kunnen vedelen. Maar het werd gelukkig niet louter krachtpatserij voor de soliste. In het Adagio werd hetzelfde spierpotentieel heel wat fijngevoeliger ingezet. Wat prachtig van toon die dialoog met de blazers.
In het laatste deel - Allegro giocoso, ma non troppo vivace - speelde weer even de non troppo-kwestie. Maar dirigent, violist en orkest hadden zo’n driehoeksverhouding opgebouwd en waren zo enthousiast dat ze het non troppo voor het vivace hier ook maar lieten vallen, want moet muziek - zeker in zo’n spetterende finale - niet altijd héél levendig klinken? Opnieuw was er bewondering voor Weithaas die nergens ook maar één noot hoorbaar miste.
Een mooie koppeling zou de Tweede symfonie van Brahms zijn geweest, in dezelfde tijd ontstaan en ook zo pastoraal van karakter. Maar dan zouden we wel heel erg veel in de toonsoort D op een avond horen, zoals Brahms voor de première de koppeling met het Vioolconcert in D van Beethoven afwees. De Achtste symfonie van Dvorak kwam ervoor in de plaats waar Asbury en zijn kompanen weer iets moois van maakten. Het was een boeiende ervaring om dat prachtige orkestwerk weer eens in de concertzaal te horen.
Niet aangekondigd maar wel bij wijze van bonus gespeeld waren de Hongaarse schetsen van Bartok, weer mooi aansluitend op het Hongaarse temperament van het slotdeel van Brahms.
S. van Ek



